(advertentie) sourcesense
Livre
Home
Kennis
DOCUMENTEN
Archief
NIEUWSBRIEF
LIVRE MAGAZINE
PRAKTIJKVOORBEELDEN
KLASSIEKERS
COLUMNS
OPEN ONTWIKKELINGEN
TIPS EN TRUCS
Einde Livre sticky

Deze website wordt - sinds 29 mei 2009 - niet meer geactualiseerd.

 

Reageren op artikelen of berichten is niet meer mogelijk.

'De risico's van naïef en blind vertrouwen in technologie' PDF Afdrukken E-mail
maandag, 12 mei 2008 - 10:50
MaatschappelijkDankzij internet en andere vormen van elektro­nische communicatie rukt biometrie in de (tele)communicatie snel op. Biometrie is een identificatietechniek geba­seerd op niet veranderlijke biologische kenmerken, de psychologische – en/of gedragska­rak­teristieken van een persoon. Maar biometrische systemen zijn, net als ieder ander systeem, niet foutloos. Wat betreft Geert-Jan van Bussel* is dat een reden tot zorg, "gezien het feit dat biometrische gegevens persoonsgegevens in extremis zijn".

Door Geert-Jan van Bussel

Biometrie is de geautomatiseerde identificatie of autorisatie van individuele lichaams­ken­merken van een levend persoon (of beter: van levende wezens, want het is niet beperkt tot mensen, maar daar gaan we hier verder niet op in). Het is een identificatietechniek geba­seerd op niet veranderlijke biologische kenmerken, de psychologische – en/of gedragska­rak­teristieken van een persoon. Dit kenmerk wordt vervolgens elektronisch opge­slagen en kan worden vergeleken met een op een ander tijdstip verkregen versie. Biome­trie kent al vele toepassingen, maar aangezien het een vakgebied is dat sterk in ontwik­ke­ling is, verschijnen nog regelmatig nieuwe toepassingen. Biometrie kan pasjes, wacht­woor­den, foto's, handtekeningen en dergelijke gaan vervangen, of in ieder geval gecombineerd daarmee de bevei­li­ging sterker maken. Om fraude uit te sluiten worden bij voorkeur meerdere ken­merken te­gelijkertijd gebruikt, al of niet in combinatie met een PIN-code.

Biometrische karakteristieken kunnen fysiologisch of gedrag-georiënteerd zijn. Fysiologi­sche kenmerken zijn gerelateerd aan het lichaam. De oudste vorm van biometrische tech­niek, al vanaf 1858 in gebruik, is de vingerafdruk. Andere voorbeelden van fysiologische karakteristieken zijn gelaatsher­ken­ning, handgeometrie en irisherkenning. Gedragsken­merken zijn gerelateerd aan het ge­drag van een persoon. De eerste karakteristiek (ook al eeuwen oud) is de handtekening. Modernere vormen van gedragsbiometrie zijn 'keystroke dynamics' (de exacte bepaling van de wijze waarop en wanneer iemand de toetsen op een toetsenborg indrukt) en stem­herkenning. Een stem is in principe een fysiologische karak­te­ristiek (vanwege het afwijkende timbre), maar stemherkenning is met name gericht op de manier waarop iemand spreekt. En dat kan als een gedragska­rak­te­ristiek worden ge­zien.

Andere biometrische technieken richten zich op de manier waarop mensen lopen, de reti­na, handpatronen, gehoorkanalen, gezichtswarmte, lichaamsgeur en DNA. Ook deze technieken zijn ofwel fysiologisch ofwel gedrag-georiënteerd.

Identificatie en verificatie
Biometrie wordt voor twee verschillende functies gebruikt: verificatie en identificatie. Bij verificatie authentiseert het gebruikers door de biometrische karakteristiek te vergelijken met het opgeslagen biometrische patroon op een smartcard of in een database en combi­neert dat met een gebruikersnaam of identiteitsnummer, eventueel opgeslagen op een smartcard. Bij identificatie wordt de biometrische karakteristiek vergeleken met alle re­cords in een database en wordt een 'match' gezocht, die binnen een bepaalde marge mag liggen om geaccepteerd te worden.

Biometrie rukt snel op in de (tele)communicatie middels internet en andere vormen van elektro­nische communicatie. Daardoor neemt de anonimiteit van gebruikers hand over hand toe. Het 'kennen' van de identiteit van gebruikers is van groot belang voor de meeste vormen van elektronische communicatie. Daarnaast is authenticatie van groot belang voor allerlei vormen van douane-, politie- en justitiedoeleinden. De authenticatie, het vaststellen van de identiteit van de gebruiker, kan met biometrie worden gewaarborgd, zeker als dat wordt gecombineerd met wachtwoorden en smartcards.

Belang van authenticatie
In een steeds groeiende elektronische communicatiemaatschappij is het van belang de identiteit van allerlei soorten gebruikers vast te stellen voor bijvoorbeeld:
  • Internet-transacties bij electronic banking en e-commerce;
  • Immigratie (legaal versus illegaal);
  • Criminaliteitsbestrijding;
  • Diefstal van en fraude met identiteit;
  • Toegangscontrole van gebouwen;
  • Bescherming van (geheime) gegevens door toegangsbeveiliging van de PC op de werk­plek met toegang tot computernetwerken (intra- en extranetten, inclusief toegang tot com­puters op afstand);
  • Registratie van de tijd dat iemand in een gebouw aanwezig is (of moet zijn); enzovoort.

Biometrische technieken kunnen ervoor zorgen dat de identiteit van personen op meer verantwoorde wijze wordt vastgesteld. Een biometrisch kenmerk levert in principe een hogere betrouw­baarheid op dan enkel een wachtwoord of een inlogcode. Maar hoe staat het met de betrouwbaarheid ervan?

Betrouwbaarheid
Geen enkel systeem is foutloos, ook biometrische systemen niet. Dat is dan ook een reden tot zorg, gezien het feit dat biometrische gegevens persoonsgegevens in extremis zijn. Er is dus een goede reden tot grote voorzichtigheid met biometrische experimenten. Corien Prins, hoogleraar Recht en Informatisering aan de Universiteit van Tilburg, heeft niet veel vertrouwen in die 'voorzichtigheid'. In de Automatisering Gids van 18 april liet ze weten dat toepassers van biometrie beslissen en handelen 'vanuit naïef en blind vertrouwen in de technologie'. Ze accepteren biometrische systemen als een 'black box' (waar ze veel te wei­nig van afweten) en brengen het als een neutraal beleidsinstrument, dat zonder al te veel problemen toe te passen is. Uiteindelijk blijkt dat vele toepassingen interorganisatorische implicaties hebben en dat nooit is bepaald wie de eindverantwoordelijke is.

Betrouwbaar­heid van biometrie staat niet alleen. Er is een aantal parameters te noemen die met el­kaar in evenwicht moeten zijn om de geschiktheid van een bepaalde techniek te kunnen bepalen. Anin Jain is daar in artikelen in 2004 en 2006 nader op in gegaan en heeft een matrix ontwikkeld waarmee de verschillende technieken met elkaar zijn te vergelijken.

Laten we eerste de verschillende parameters eens onderscheiden:
  • 1. Universeel: iedereen moet de betreffende karakteristiek vertonen;
  • 2. Uniek: de karakteristiek moet individueel uniek zijn om te kunnen onderscheiden;
  • 3. Permanent: een karakteristiek moet identiek, onderscheidend en toewijsbaar blijven met het ouder worden van een persoon;
  • 4. Verwerving: een karakteristiek moet betrekkelijk eenvoudig te meten zijn;
  • 5. Performance: de accuraatheid, snelheid en robuustheid van de gebruikte techniek;
  • 6. Acceptatie: de mate waarin de technologie door het publiek wordt geaccepteerd;
  • 7. Ontwijkbaarheid: het gemak waarmee eventueel een 'substituut' kan worden gebruikt.

Jain heeft de biometrische technieken afgezet tegen deze parameters en dat leidt tot een aantal verrassende conclusies. Geen van de bij Jain genoemde biometrische technieken (gezichtsherkenning, vingerafdruk, handgeometrie, 'keystrokes', iris- en retinascan, hand­tekening, stemherkenning, gezichtswarmte, lichaamsgeur, DNA, manier van lopen en gehoorkanaal) kan aan de eerste vier parameters voldoen. DNA voldoet aan vier van de eerste vijf parameters en heeft alleen problemen daar waar het de eenvoudigheid van de meting betreft. Ook qua ontwijkbaarheid en performance presteert DNA goed. Het grote probleem echter is dat het publiek een dergelijke biometrische techniek nog niet accep­teert. De qua parameters best presterende biometrische technieken (DNA, Iris- en retina-scan) kunnen op de minste acceptatie rekenen van het publiek.

Dat wantrouwen betekent dat er een grote mate van voorzichtigheid in acht genomen moet worden bij het implementeren van biometrische technologie. Dat wordt alleen nog maar bevestigd als we de staat van de techniek afzetten tegen de prestaties over de tijd heen. Een onderzoek uit 2002 laat zien dat bij gezichtsherkenning (een techniek die vol­gens Jain niet aan de parameter uniek­heid kan voldoen) na anderhalf jaar 2% ten onrechte wordt doorgelaten en 43% ten onrechte geweigerd. Volgens het Nederlands Forensisch In­stituut in Den Haag hebben die cijfers hun geldigheid nog niet verloren. Dat wordt beves­tigd door andere onderzoeksresultaten. Een onderzoek inzake gezichtsherkenning, even­eens uit 2002, stelt dat uit meer dan 37.000 scans 1% onterecht wordt toegelaten, en 10% onterecht wordt geweigerd. Voor vingerafdrukken blijkt in 2003 (PDF)dat van 25.000 metingen nog steeds 1% onterecht wordt toegelaten en 0,1% wordt geweigerd. Bij irisscans blijkt in 2005 een onterechte acceptatie in 0,94% van de gevallen en een onterechte afwijzing in 0,99% van de gevallen. Stemherkenning leidt in 2004 tot een onterechte toelating van 2% en een onterechte afwijzing in 10% van de gevallen. Voor DNA hebben we geen gegevens beschikbaar. Het is niet iets om onvoorwaardelijk optimistisch over te worden. Ook hier: de uit praktijkonderzoek best presterende techniek wordt het minst door het publiek geaccepteerd. Uiteraard spelen omgevingsfactoren een zeer belangrijke rol op accep­tatie of weigering door een biometrische techniek: bijvoorbeeld warmte, vochtigheid, vuile handen, ver­an­de­ringen in leeftijd, of het dragen van een bril of contactlenzen.

Twee soorten biometrische systemen
Biometrische systemen bestaan grofweg uit twee onderdelen:
  • Een apparaat om een kenmerk te meten van het menselijk lichaam en dat gegeven om te zetten in een serie nummers;
  • Een grote database, die de miljoenen biometrische metingen van mensen vastlegt.

Door mid­del van het verzamelen van specifieke biometrische gegevens wordt een uniek ijkpunt (template) gemaakt. Zo wordt van iemand een biometrisch profiel gemaakt en vastgelegd in een gegevensbank, in een biometrisch controlesysteem, op een smartcard of in een barcode. Biometrie is geba­seerd op rekenregels (algoritmen) om twee templates met elkaar te vergelijken. De gebrui­ker wordt vergeleken met een enkele template, waarvan hij of zij beweert dat het die van hem of haar is. Gedurende de controle wordt de actuele in­formatie vergeleken met de opgeslagen template. Als de gebruiker is voor wie die zich uit­geeft zullen de twee beelden overeenkomen of binnen een bepaalde marge van afwijking blijven en is iemands identiteit vastgesteld.

Authentisering
De discussie over de toepassing van biometrische technieken is tot nu toe bijna volledig ge­richt op identificatie van personen. Een voor informatiebeheerders en –ver­werkers be­lang­rijk aspect is de authentisering van infor­matie, gegevens en documenten door daartoe bevoegde functionarissen in een organisatie. Tot voor kort werden authentieke documen­ten voorzien van de handtekening van de betref­fende partijen, zodat daarmee de docu­men­ten een sta­tus van betrouwbaarheid hadden. De digitale handtekening begint lang­zaam een op­mars te maken, maar die gaat veel langzamer dan in eerste instantie verwacht was.

Daarbij komt dat de bestaande digitale handtekening eerder het transport van de data verzekerd en aangeeft dat tijdens dat transport geen veranderingen in de gegevens zijn aangebracht en dat het bestand integer is overgekomen. Maar zegt dat eigenlijk wel dat het bestand is zoals het zou moeten zijn? Is er vóór dat de digitale handtekening werd ge­plaatst ook sprake van integriteit? Hoe wordt verzekerd dat interne documenten, die vol­gens interne regels moeten worden geauthentiseerd, integer zijn?

Vele aan­vraag- en bevestigingsformulieren, brieven, uitspraken en andere binnen juridi­sche proce­du­res bewijsleverende bestanden zijn nu digitaal, hoewel vaak een papieren versie be­schikbaar is, vaak met een handtekening daarop. Als de digitale handtekening en/of biometrische identificatie daadwerkelijk worden ingevoerd, kan die backup wegval­len.

Daartoe dient bekend te zijn dat digitale documenten zijn goedgekeurd en/of ge­authenti­seerd door de daartoe bevoegde persoon. Een van de beste opties daartoe is om in in de toeganke­lijke metadata van het te authentiseren document een melding op te nemen dat de iden­tificatie van de functionaris op basis van zijn biometrische gegevens heeft plaatsgevonden, akkoord is bevonden, onmiskenbaar behoort aan degene die ondertekent en dat daar­door het document is geauthentiseerd, met een exacte tijdsindicatie van het plaat­sen van de bio­metrische gegevens. Dit betekent dat bij het authentiseren van documenten specifieke bio­metrische systemen beschikbaar moeten zijn. Vingerafdruklezers kunnen in de­ze al vol­doen­de zijn. Over het algemeen staan de meeste mensen neutraal tegenover een vingeraf­druk als biometrisch gegeven. Voor authentisering is het dan ook een acceptabel middel. Deze optie betekent het vastleggen van extra metadata (enkel bestemd voor de au­then­ti­sering van het betreffende bestand of document), vastgekoppeld aan het document en on­muteerbaar ter beschikking gedurende de totale bewaartermijn.

Er moeten zeer hoge eisen gesteld worden aan het beheer van de geauthentiseerde docu­men­ten en bestanden. De bewijs- en rechtspositie van een organisatie of een individueel persoon is er van afhankelijk. Het voordeel van een dergelijke aanpak is dat de enorme pa­pieren backup tot het einde kan gaan behoren. Dat scheelt niet alleen in de kosten, het le­vert ook milieuvoordelen op.

Bezwaren
Tegen biometrische identificatie en authentisering zijn nogal wat bezwaren aan te voeren, die vooral te ma­ken hebben met de beveiliging van de biometrische bestanden. Geen enke­le wijze van vastlegging van deze gegevens blijkt echt veilig te zijn en brengt dus risico's met zich mee.

Centrale databases zijn nooit vol­le­dig te beveiligen en de kans dat kwaadwillenden toe­gang tot deze gegevens krij­gen (hoe klein die kans ook is!) mag niet worden veronacht­zaamd. Het College Bescherming Persoonsgegevens wijst uit privacy-overwegingen cen­trale op­slag af. In de op­tiek van het College hoeft geen kopie van een biometrisch bestand in een centrale data­base te worden opgeslagen. Ze gaat uit van decentrale toepassing: de persoon legt bijvoorbeeld zijn vingertop op een leesapparaat, dat het binaire patroon vast­stelt en dit vergelijkt met de template op de chipkaart. Met die werkwijze hoeft geen enkele instan­tie kopieën van biometrische bestanden te bewaren. De wijze waarop de IT-organisatie van de overheid georganiseerd is (zie de voortdurende rapporten van onder meer de Algemene Reken­ka­mer) is het onverstandig het bewaren van die gegevens daaraan toe te vertrouwen.

De keu­ze voor decentrale of gepersoni­ficeerde opslag op smart­cards blijkt recent ook beveiligingsproblemen op te leveren. Het uitgangspunt hierbij is dat personen hun biome­trische gegevens zelf, op een chipkaart, bij zich dragen. Het gemak waarmee uiteindelijk de OV-chip-kaart werd gekraakt en het bericht dat ook de chip van het nieuwe Nederland­se paspoort (dat biometrische gegevens bevat) kraakbaar is, doet twijfelen aan ook deze wijze van opslag.

Volgens Corien Prins gaan beleidsmakers wel heel erg makkelijk en naïef ervan uit dat dit risico zo klein is dat er geen rekening mee gehouden hoeft te worden. Belang­rijke problemen zijn dat biometrische algoritmes niet gevalideerd zijn en dat niet of nauwelijks bekend is hoe ze werken. Dat is riskant, zeker omdat de overheid biometrie wil gebruiken om bur­gers te profileren, te categoriseren en uiteindelijk (en veelal onbewust) te discrimineren. Doorgevoerde biometrie verandert de verhouding tussen overheid en burger op een wijze die mogelijkerwijze onacceptabel is. En, zo zegt Prins, 'De burger komt in een andere bewijspositie. Er wordt gezegd dat biometrische kenmerken uniek zijn. Honderd procent identificatie. Hoe moet ik straks aantonen dat de overheid mij in de verkeerde categorie heeft ondergebracht?' Maar zoals we hiervoor hebben gezien: sommige biometrische ka­rakteristieken zijn uniek, andere niet, maar er is er tot nu toe niet een die honderd procent identificeert.

Willen wij er naar toe dat de overheid voor ons bepaalt wie we zijn op basis van techniek die niet volledig betrouwbaar is?

* Geert-Jan van Bussel is directeur van Van Bussel Document Services in Helmond en universitair docent aan de Universiteit van Amsterdam.
 
Wat is Livre?

Livre (2005-2009) was een nieuws- en kennisportal. Doel van Livre was het ontwikkelen en delen van kennis op het gebied van digitale duurzaamheid.

Meeste comments

Indien niet expliciet anders vermeld, valt de content van deze website onder de Creative Commons-Naamsvermelding-Gelijkdelen-licentie (CC-BY-SA)
Ontwerp en realisatie: WELLdotCOM - ICT Solution Provider & Joomla! Professionals. Powered by Joomla!
Deze site is in de afgelopen jaren mede mogelijk gemaakt door Net Ground - Specialist in webhosting en domeinregistratie.
De nieuws- en kennisportal Livre was een initiatief van Stichting Livre
Livre Open Source Software & Open Standaarden